Eucharistie

Als christenen geloven wij dat de onzichtbare God ons tegemoet is getreden in de zichtbare mens Jezus Christus. En die zichtbaarheid van Jezus Christus zet zich voor ons voort in de sacramenten van de Kerk (zoals doopsel, vormsel, Eucharistie, enz.). Door het ontvangen van die sacramenten van de Kerk treden wij in gemeenschap met Jezus Christus, en daarmee ook in gemeenschap met zijn hemelse Vader en met zijn katholieke Kerk van alle eeuwen en plaatsen.
 
Om deze sacramenten goed en waardig te kunnen ontvangen is het daarom nodig dat men deelt in het katholieke geloof en in de beleving ervan. We treden immers, via die sacramenten, in gemeenschap met het goddelijke en heilige leven dat Christus brengt, en met de Kerkgemeenschap die in dit nieuwe leven van Christus deelt. De sacramenten zijn dus geen vrijblijvende gelegenheidsgebaren, maar heilige handelingen waardoor men een levensverbintenis met Christus en zjn Kerk aangaat en bezegelt.
 
Daarom gelden er voorwaarden voor het ontvangen van de sacramenten. Deze voorwaarden gelden voor iedereen. In het algemeen is dat: willen delen in het katholieke geloof en daar ook naar willen leven, o.m. door een levend lidmaat te zijn van de gemeenschap van Jezus Christus en zijn Kerk.
 
Voor het ontvangen van de heilige Communie zijn die voorwaarden:

  • reeds gedoopt zijn
  • het katholieke geloof belijden met betrekking tot de waarachtige aanwezigheid van het Lichaam van Christus in de heilige Communie
  • in staat van genade zijn; dat wil zeggen dat de persoonlijke verbondenheid met Jezus Christus en zijn Kerk niet is verbroken door een zware zonde. Deze zonde dient dan eerst in het sacrament van de biecht beleden te worden.

Te Communie gaan is dus niet vanzelfsprekend. Bij bijzondere gelegenheden (zoals uitvaarten, Kerstmis, Carnaval) wanneer er meerdere aanwezigen zijn die niet (praktiserend) katholiek zijn, is het gepast om hierop te wijzen.De catechismus van de katholieke Kerk zegt hierover: "Willen wij op deze uitnodiging (tot de heilige Communie) ingaan, dan moeten wij ons voorbereiden op dit groots en heilig moment.

De heilige Paulus spoort ons aan tot een gewetensonderzoek: "Wie op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en bloed des Heren. Wij moeten onszelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken. Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis" (1 Kor. 11,27-29). Hij die zich van een zware zonde bewust is, moet het sacrament van de verzoening ontvangen voordat hij te communie gaat" (nr. 1385) Voor de beoordeling of iets een zware zonde is, zijn in het algemeen de tien geboden (door Christus vervolmaakt) het richtsnoer (vgl. catechismus nr. 1858). Ernstige overtredingen hiervan, willens en wetens gedaan, gelden als zware zonde. (Dit is objectief gesproken, niet rekening houdend met persoonlijke omstandigheden die de zwaarte van de daad eventueel verminderen; vgl. nr. 1754).

Het kerkelijk wetboek zegt daarom in canon 916: "Wie zich van zware zonden bewust is, mag zonder voorafgaande sacramentele belijdenis niet de Mis celebreren of het Lichaam van de Heer ontvangen, tenzij een ernstige reden aanwezig is en een gelegenheid tot belijdens ontbreekt; hij dient in dit geval te bedenken dat hij verplicht is een akte van volmaakt berouw te verwekken, die het voornemen insluit om zo spoedig mogelijk te biechten." De persoonlijke gewetensafweging of men beantwoordt aan bovengenoemde voorwaarden berust bij de verantwoordelijkheid van de gelovigen. Deze moet zich in geweten afvragen of er geen beletselen zijn om te communie te gaan.

Zelden of nooit zal iemand, die ter communie gaat, de communie worden geweigerd. Slechts in uitzonderlijke gevallen, waarbij iemand halstarrig en openlijk volhardt in een zware zonde, moet iemand niet toegelaten worden (vgl canon 915)